© 2018 AvV - proudly created with Wix.com

  • Annette

Nieuwe regeling voor fiscale beoordeling zzp'ers

Bijgewerkt: 1 nov 2019


Op 26 november 2018 heeft minister Koolmees een brief aan de Tweede Kamer gestuurd inzake de uitwerking van de maatregelen ‘werken als zelfstandige’. Met deze maatregelen wordt beoogd een duidelijke regeling tot stand te brengen om te beoordelen of medewerkers in een bedrijf fiscaal gezien kunnen worden aangemerkt als zelfstandige (free lancer), waardoor geen loonbelasting hoeft te worden ingehouden en geen sociale premies hoeven te worden betaald door de opdrachtgever.


Na het jammerlijk mislukken van de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet DBA) - met het systeem van modelovereenkomsten van opdracht voor werken met zelfstandigen – wordt al jaren gewerkt aan een nieuwe regeling. In ieder geval tot januari 2020 wordt de wettelijke regeling door de Belastingdienst niet gehandhaafd, omdat deze niet voldoet, waarbij alleen een uitzondering geldt voor ‘kwaadwillenden’.


Inmiddels begint die nieuwe regeling eindelijk vorm te krijgen. Wat schrijft de minister daarover?


De nieuwe wet wil voorzien in twee wensen:

  1. Het beschermen van schijnzelfstandigen en kwetsbare zelfstandigen aan de onderkant van de markt – te denken valt aan chauffeurs/bezorgers, zelfstandigen in de bouw en meer van dit soort groepen. In de praktijk worden medewerkers in deze beroepen soms door reorganisaties gedwongen in een situatie van zelfstandigheid, tegen tarieven die liggen onder de kostprijs van arbeidskrachten in de sector. Deze groepen missen daardoor aanspraak op sociale voorzieningen en hebben veelal niet de financiële ruimte om arbeidsongeschiktheid en pensioen toereikend te verzekeren. Bovendien ontstaat concurrentievervalsing c.q. verdringing, nu onder de kostprijs voor arbeid wordt gewerkt door deze zelfstandigen.

  2. Het bieden van meer ruimte aan zelfstandigen aan de bovenkant van de markt. Zelfstandigen met een hoog tarief kiezen er vaak actief voor om buiten het systeem van arbeidsrechtelijke bescherming en sociale zekerheid te blijven. Voor deze categorie zzp’ers en hun opdrachtgevers is vooral van belang dat het stelsel voldoende zekerheid biedt dat geen sprake is van een arbeidsrelatie. Dit om te voorkomen dat de opdrachtgever het risico loopt dat achteraf blijkt dat toch loonbelasting en sociale premies moeten worden betaald.


In het kort voorziet de nieuwe wettelijke regeling in de volgende vier maatregelen:


1. Opdrachtgeversverklaring

Via een webmodule moeten opdrachtgevers een aantal vragen beantwoorden over de arbeidsrelatie. Aan de hand van die antwoorden wordt bepaald of sprake is van een dienstverband of dat gewerkt wordt ‘buiten dienstbetrekking’. Als de webmodule concludeert dat sprake is van een relatie ‘buiten dienstbetrekking’ ontvangt de opdrachtgever een opdrachtgeversverklaring. Daarmee verkrijgt hij vooraf zekerheid dat geen loonheffing hoeft te worden ingehouden en geen socicale premies hoeven te worden betaald. De opdrachtgeversverklaring is uiteraard alleen geldig als de webmodule naar waarheid is ingevuld en als in de praktijk conform die antwoorden wordt gewerkt.

De verwachting van de minister is dat de webmodule eind 2019 gereed is.


2. Verduidelijking van het gezagscriterium

Het belangrijkste criterium voor de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst is de vraag of de werkgever gezag kan uitoefenen over de medewerker en zijn werkzaamheden. Vanwege dit criterium wordt in overeenkomsten van opdracht vaak opgenomen dat de medewerker zelf kan beoordelen hoe hij zijn werkzaamheden invult en dat hij niet gebonden is aan instructies van opdrachtgever, behalve ten aanzien van het eindresultaat. Bepalend is niet alleen wat partijen hierover opnemen, maar vooral ook hoe er in de praktijk daadwerkelijk wordt gewerkt.

Of een medewerker onder gezag van de opdrachtgever (dus werkgever) valt, moet worden bepaald aan de hand van veel verschillende elementen. Voor de uiteindelijke beoordeling moeten al die elementen in onderlinge samenhang worden gewogen. Hierdoor is het moeilijk om algemene regels te geven. Wel is het mogelijk om indicaties en contra-indicaties te geven en voorbeelden.

De verduidelijking van het gezagscriterium wordt al per 1 januari 2019 van kracht. Hiervoor is een uitgebreid beoordelingskader opgesteld, dat als bijlage zal worden toegevoegd aan het Handboek loonheffingen van de Belastingdienst. Dit Handboek biedt beleidsregels voor het optreden van de Belastingdienst, waarmee voor opdrachtgevers en zelfstandigen duidelijkheid ontstaat.


3. De Arbeidsovereenkomst bij Laag Tarief (ALT)

In het regeerakkoord is afgesproken om meer bescherming te bieden aan zelfstandigen aan de onderkant van de markt, (a) om deze zelfstandigen te beschermen en (b) om concurrentie op arbeidsvoorwaarden tegen te gaan.

In dit verband lijkt de wetgever ervoor te gaan kiezen om een minimumtarief in te voeren van ca. € 16 per uur. Dit tarief is gebaseerd op het bedrag van een bijstandsuitkering incl. zorgtoeslag.

Als verdere bescherming wordt waarschijnlijk vastgelegd dat de zzp'er ook recht heeft op betaling van dit uurtarief wanneer hij meer uren over de opdracht doet dan vooraf ingeschat. Dit om te voorkomen dat het tarief weliswaar dekkend is, maar dat de zzp'er wordt geforceerd om genoegen te nemen met te weinig uren.


4. Opt-out voor bovenkant van de markt

Al in het regeerakkoord is voorgesteld om voor de bovenkant van de markt – de zelfstandigen met een hoog tarief – de mogelijkheid te creëren om vrijwillig af te zien van rechten onder de werknemersverzekeringen (en bijbehorende premies). Het idee is dat deze arbeidskrachten bewust en weloverwogen kiezen voor het ondernemerschap en dat zij zelf de risico’s kunnen overzien en kunnen verzekeren. Ter illustratie: in eerdere voorstellen werd onder een hoger tarief verstaan: vanaf € 75 per uur.

De bedoeling van de opt-out is dat opdrachtgever en opdrachtnemer samen schriftelijk moeten verklaren geen gebruik te willen maken van de bescherming van het arbeidsrecht en van werknemersverzekeringen. Als een rechter achteraf toch mocht oordelen dat sprake is van een arbeidsovereenkomst, dat zou de werkende – door de gemaakte keuze (opt-out) –geen recht op werknemersverzekeringen hebben en zou er een verlicht arbeidsrechtelijk regime gelden. Dat laatste (“een verlicht arbeidsrechtelijk regime”) is nieuw ten opzichte van eerdere plannen – ik ben benieuwd wat daar voor invulling aan zal worden gegeven als een rechter eenmaal heeft geoordeeld dat geen sprake is van een echte zelfstandige.

In de eerdere plannen gold dat de opt-out alleen mogelijk zou zijn – als de werkzaamheden van de betreffende zzp’er niet zou vallen onder de reguliere bedrijfsactiviteiten of als de opdracht kort zou duren (korter dan een jaar). Die criteria komen in de brief van de minister niet meer naar voren. Mij is niet duidelijk of deze nog gelden, doch wellicht worden deze criteria verwerkt in de vragen voor de webmodule voor de opdrachtgeversverklaring (zie hiervoor onder punt 1).


De maatregelen 3 en 4 zouden in de loop van 2019 geheel moeten zijn uitgewerkt en zouden per 1 januari 2021 in werking kunnen treden volgens de minister.


Hoewel nog tot 1 januari 2020 de ‘gedoogsituatie’ bestaat dat de Belastingdienst slechts zal handhaven bij ‘kwaadwillenden’ (door met terugwerkende kracht loonbelasting en premies te innen), is het voor de praktijk wel van belang om inzicht te krijgen in de toekomstige systematiek op dit onderwerp. Bij het inrichten van hun bedrijfsvoering en het opstellen van overeenkomsten van opdracht moeten partijen immers kunnen anticiperen op de toekomst. Het is dan ook toe te juichen dat de contouren van de toekomstige regeling eindelijk zichtbaar worden.



4 december 2018

(update geplaatst op 1 november 2019)


Annette van Vught,

Advocaat en Mfn-mediator






Deze blog maakt onderdeel uit van de website van Van Vught Ondernemingsrecht, Advocatuur en Mediation: https://vvoadvocatuur.nl